Burgers en natte voeten

Als burgers vinden we het vanzelfsprekend dat onze straten niet onder water staan. Daar zorgt immers de overheid voor. De trouwe burger betaald immers zijn belasting aan de overheid, en die moet met dat geld wateroverlast voorkomen. Pompen en gemalen zorgen voor een veilig waterpeil en de waterkeringen beschermen ons tegen hoog water van de zee en de rivieren. Het is inmiddels een vanzelfsprekendheid. Het is echter maar de vraag in hoeverre de burger in de toekomst zal beschermd worden tegen natte voeten door diezelfde overheid.

Wat dieper gravend in het geheugen komt er wellicht een situatie naar boven waarbij er wel sprake was van natte voeten. De één herinnert zich nog een situatie dat er water op straat stond na een extreme regenbui of de ander herinnert zich een kleine dijkdoorbraak. Of een agrariër denkt wellicht aan zijn akkerpercelen die in meren en waterpoelen waren veranderd. Weer anderen denken aan de dreiging van het water. En hebben herinneringen aan de extreem hoge waterstanden van de rivieren of inundatiegebieden die waren gelopen.

Als er zich al zo’n inundatie situatie heeft voorgedaan staan overheden en bestuurders in de rij om verklaringen te geven en beterschap te beloven. ‘Het was een uitzonderlijke situatie’ en ‘het zal niet nog een keer voorkomen’ zijn credo’s die bestuurders dan in de mond nemen. Kort na een incident wordt er snel geld beschikbaar gesteld voor lokale oplossingen. En om de kans op herhaling te verkleinen komen er dan nieuwe of aangescherpte regels. Zo kan iedere burger zich weer veilig voelen tegen wateroverlast.

Hoe hoger de economische waarde van een gebied is des te hoger is het vastgestelde waterveiligheidsniveau

De vraag is of deze aanpak de juiste is. Leveren de nieuwe regels daadwerkelijk een grotere veiligheid op? Is het terecht dat de burger mag aannemen dat hij steeds minder kans loopt op natte voeten? Borgt de regelgeving in de toekomst voldoende de verminderde kans op herhaling? De normen die gelden ter voorkoming van natte voeten zijn gebaseerd op het principe dat de economische waarde bepalend is voor het veiligheidsniveau. Hoe meer waarde binnen een dijkring des te hoger het veiligheidsniveau. Hoe waardevoller het gebruik van de bodem des te strenger de norm voor inundatie vanuit het oppervlaktewater.

Juist hier doet zich iets merkwaardigs voor. Aan de ene kant streven we naar economische groei, waardoor de economische waarde van gebieden toe neemt. Te denken valt aan de bouw van fabrieken, kassen en huizen in laag gelegen gebieden. Aan de andere kant neemt de dreiging van het water ook toe. Er is in de toekomst kans op meer neerslag, bodemdaling en zeespiegelrijzing. Dit leidt in een goed functionerende economie in de loop van de tijd automatisch tot minder veiligheid (volgens de norm). Daarbij neemt tevens de kans op de omvang van de  schade toe. Dat er risico’s op schade bestaan is nu eenmaal gekoppeld aan een norm die uitgaat van faalkansen.

Een logische gevolgtrekking van de normen zou zijn dat er geen meer economische waardevermeerdering van opstallen moet worden toegestaan in gebieden met een hoog inundatierisico. Te denken valt hier aan een ontmoedigingsbeleid zoals het betalen van hogere belastingen. Maar nog logischer zou zijn om op termijn opstallen van aanzienlijke economische waarde te verplaatsen naar hoger gelegen gebieden. Deze gebieden hebben immers een veel lagere kans op inundatie. Het is aan de politiek om juist die belangen af te wegen. Als in het beleid het economische belang van elk gebied prevaleert, en er niet gekeken wordt naar de hoogteligging en inundatierisico van bepaalde gebieden, zal juist hier de kans op natte voeten alleen maar toenemen. De geschiedenis heeft ons inmiddels wel geleerd dat de kans op natte voeten onverminderd hoog blijft.


Bron en copyright: Overstroomik.nl

Ga terug naar de vorige pagina