Naar de Raad van Arbitrage of de rechtbank?

Voor een techneut ligt het voor de hand dat technische problemen of een te ontwerpen constructie de eerste aandacht krijgen. Toch hebben ook andere aspecten altijd mijn interesse gewekt. Zeker toen mij duidelijk werd dat voor het tot stand komen van een nieuw bouwwerk of infrastructuur de techniek helemaal niet het belangrijkste is. Mijn mening is dat communicatie in al zijn facetten verreweg het belangrijkste aspect is, gevolgd door juridische aspecten.

Tussen deze twee is gemakkelijk een relatie te leggen. Bij een duidelijk contract of een bestek zonder open einden of omissies zal er niet snel een verschil van mening tussen partijen ontstaan, zoals tussen opdrachtgever en aannemer of tussen hoofd- en onderaannemer. Het enkele feit dat bij grotere bedrijven juristen een bestek doorspitten en in de eerste bouwvergadering de open einden op tafel leggen, spreekt boekdelen. Een verschil van opvatting over uitleg van tekst of bedoeling van een bestek, waarover niet aan de overlegtafel tot overeenstemming te komen is, kan dan leiden tot procederen of voorleggen aan een scheidsrechter. Dat kan de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven zijn of de ‘gewone’ rechter. De laatste tijd lijkt een verschuiving plaats te vinden naar de laatste en de verklaring daarvoor ligt mogelijk in het gevoel bij opdrachtgevers dat de RvA vaker de aannemer in het gelijk stelt dan de principaal. Dat heeft er dan weer toe geleid dat in bestekken de keuze nu meestal wordt vrij gelaten.

Het lijkt misschien om het even welke onpartijdige scheidsrechter om een uitspraak wordt gevraagd. Toch zijn er grote verschillen die belangrijk genoeg zijn om aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Zo is de arbiter bij de RvA (bij grotere zaken een drietal) een deskundige in bouwzaken en vaak expert op het gebied van de aanhangig gemaakte zaak. In diverse zittingen heb ik ervaren dat de door arbiters gestelde vragen scherp geformuleerd en zeer ‘to the point’ waren. Daaruit sprak kennis van en inzicht in de gang van zaken die tot het conflict had geleid en de daarbij behorende contractstukken. Naast de arbiter(s) bewaakt een jurist de correcte rechtsgang. Een (kanton)rechter is per definitie geen deskundige op het gebied van aanleg of onderhoud van infrastructuur. Het is per slot van rekening ook niet zijn (of haar) dagelijks werk, hij is jurist. Zou hij zich laten bijstaan door een deskundig techneut dan zou de zaak vanzelfsprekend anders liggen. In het algemeen is dat echter niet het geval.

Arbiters formuleren hun vragen scherp en zeer ‘to the point’

Zo zou een aantal jaren geleden aan het Veerse Meer voor een particulier een steiger gebouwd worden waar deze zijn scheepje direct voor het huis zou kunnen meren. In de omgeving waren al wat soortgelijke steigers geplaatst waarvoor ik een eenvoudige tekening had gemaakt en ik gaf deze man toestemming om op basis van deze tekening zijn steiger te laten bouwen door een in Zeeland niet onbekend bedrijf. Vermeldenswaardig is nog dat in de glooiing bij voorbaat kleine sparingen waren aangebracht zodat de palen na insnijden van het doek gemakkelijk in die sparingen getrild konden worden.

Ondanks dat voorwerk hadden de heiers het voor elkaar gekregen een van de palen op een hogere plaats in de glooiing te plaatsen en na afbouw van de steiger stond deze niet evenwijdig aan de oever maar behoorlijk gedraaid en zelfs zodanig dat de opdrachtgever na een poging tot meren van zijn scheepje tot de conclusie kwam dat het met de kop tegen de glooiing lag in plaats van tegen de steiger. De steiger was dus onbruikbaar en na bekijken van de situatie kon ik dat alleen maar bevestigen. Omdat de steiger niet was gebouwd volgens de tekening en niet te gebruiken was, weigerde de opdrachtgever – met redenen omkleed – de factuur te betalen. Daarop volgden herinnering, aanmaning en ingebrekestelling waarop de aannemer een rechtszaak aanspande. Mij werd gevraagd te getuigen.

Gezien het factuurbedrag werd de zaak behandeld door de kantonrechter, een bekend figuur door het vlinderstrikje dat hij altijd droeg. Op enkele vragen zoals of ik de tekening voor de steiger had gemaakt kon ik bevestigend antwoorden, evenals op de vraag of de steiger was gebouwd op de door de opdrachtgever aangegeven locatie. Ik voegde daar aan toe dat de steiger niet juist was geplaatst en gedraaid stond en dat ik dat graag nog even wilde toelichten. Er waren zelfs onderwaterfoto’s gemaakt van de plaats waar een glooiingblok ontbrak. De kantonrechter kapte dit echter af en zei dat hij genoeg wist. U begrijpt natuurlijk al dat de uitspraak in het voordeel van de aannemer uitviel. Na deze deceptie (en het was niet de enige) nam ik mij voor aan dit soort zaken geen medewerking meer te geven. Mijn vertrouwen in de rechtspraak is voor wat betreft bouwzaken tot een minimum gedaald, zeker waar het de kantonrechter betreft die – even gechargeerd – is gespecialiseerd in het veroordelen van een fietser wiens achterlichtje niet brandt.

De vraag Raad van Arbitrage of rechtbank beantwoord ik dus zonder aarzeling met een sterke voorkeur voor de eerste. Ik zou echter de rechtbanken tekort doen wanneer ik mijn positieve ervaring met een arrondissementsrechtbank niet zou vermelden. Na een net niet gelukte mediation tussen een hoofd- en een onderaannemer (conflict bijna 1 miljoen euro) en een kort geding besloot een rechtbank in het noorden des lands dat deze zaak zich door zijn complexiteit daarvoor niet leende. De rechtbank benoemde in overleg met partijen drie deskundigen (2 techneuten en een accountant) om zich te laten adviseren. Dit herstelde natuurlijk deels mijn vertrouwen in de rechtbanken maar neemt niet weg dat mijn keuze de Raad van Arbitrage is.

Ga terug naar de vorige pagina